De Regioraad heeft op 17 december 2009 het Regionaal Woningbouwprogramma 2010-2020 vastgesteld. In het programma is opgenomen dat de 21 gemeenten van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) in de periode 2010-2020 26.245 woningen gaan bouwen, waarvan ruim 6.500 in de sociale sector. Het Regionaal Woningbouwprogramma 2010-2020 is uniek om drie redenen: (1) het is realistisch, (2) de regionale woningmarktpartijen zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma en (3) het is flexibel.
Een realistisch woningbouwprogramma op basis van behoeften In het verleden was een regionaal woningbouwprogramma een optelsom van gemeentelijke ambities. Maar bij het Regionaal Woningbouwprogramma 2010-2020 is de daadwerkelijke woningbehoefte van de inwoners van Zuidoost-Brabant als uitgangspunt genomen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de prognose van de provincie Noord-Brabant, waarin op basis van demografische ontwikkelingen de woningbehoefte is berekend. Dit maakt het Regionaal Woningbouwprogramma 2010-2020 een realistisch programma.
Samen verantwoordelijk voor de uitvoering Onder regie van het SRE hebben de 21 regiogemeenten, in samenwerking met de regionale woningcorporaties en de provincie Noord-Brabant, het Regionaal Woningbouwprogramma 2010-2020 opgesteld. Via het zogenaamde Regionaal Platform Wonen hebben ook de marktpartijen meegewerkt aan de totstandkoming van het programma. Dit intensieve traject van anderhalf jaar, heeft geleid tot concrete afspraken waar de woningmarktpartijen in de regio zich gezamenlijk verantwoordelijk voor voelen. De woningmarktpartijen zitten samen “bovenop” de woningmarkt: met elkaar volgen ze de behoeften van de woonconsumenten en sturen zij de woningbouwplannen bij zodra dat nodig is. Bovendien hebben de partijen de verantwoordelijkheid om elkaar aan te spreken, als gemaakte afspraken niet nagekomen worden .
Een flexibel woningbouwprogramma Een ander uniek punt van het woningbouwprogramma is dat het flexibel is. Jaarlijks wordt geëvalueerd of het programma nog aansluit op de behoeften van de regionale woonconsument. Dit gebeurt door intensieve monitoring, woningmarktonderzoek en het delen van belangrijke informatie over de woningmarkt met elkaar. Sluit het programma niet meer aan op de behoeften, dan kan het worden bijgesteld.
Stand van zaken De 21 gemeenten stemmen op subregionaal al hun plannen af ten opzichte van elkaar en ten opzichte van het woningbouwprogramma. Alle nieuwe en oude ontwikkelingen kunnen leiden tot een gedragen aanpassing van het woningbouwprogramma eind 2011.
Begrippenlijst Wonen Bij het woningbouwprogramma hoort ook een begrippenkader. Dit is vastgelegd in de Regionale Begrippenlijst Wonen . Daarin zijn de afgesproken prijsgrenzen voor de huur- en koopsector vastgelegd en worden de veel gebruikte begrippen beschreven.